Klein Vaarbewijs 1 · leerboek, hoofdstuk 1
Wet en vaarbewijs
Voordat u iets leert over voorrang, lichten of betonning, is er één vraag die u eerst beantwoordt: heeft u voor uw boot eigenlijk een vaarbewijs nodig? Dit hoofdstuk legt uit wanneer dat zo is, welk vaarbewijs u nodig heeft, vanaf welke leeftijd u mag sturen, hoe u het vaarbewijs haalt en houdt, en welke papieren mee aan boord gaan.
De regels komen uit drie teksten die op elkaar voortbouwen:
- de Binnenvaartwet, met de hoofdlijn: wie een schip voert waarvoor een vaarbewijs nodig is, moet er een hebben;
- het Binnenvaartbesluit, dat zegt voor welke schepen dat geldt;
- de Binnenvaartregeling, met de uitzonderingen en de details.
Daarnaast staan in het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) de regels over leeftijd, snelle motorboten en papieren aan boord. Bij elke regel staat waar u hem kunt nalezen.
Wanneer heeft u een vaarbewijs nodig?
Voor een pleziervaartuig zijn er twee grenzen. Haalt uw boot één van beide, dan heeft u een klein vaarbewijs nodig (Binnenvaartbesluit artikel 16, eerste lid):
- De lengte is 15 meter of meer. Een pleziervaartuig van 15 tot 25 meter vraagt een klein vaarbewijs, ook als het langzaam vaart en ook als het een zeilboot is.
- De boot is korter dan 15 meter, maar kan op eigen motor sneller varen dan 20 km/h ten opzichte van het water. Op een rivier met stroom telt dus de snelheid door het water, niet langs de oever.
Het BPR noemt elk klein schip (korter dan 20 meter) dat op eigen motor sneller kan dan 20 km/h een snelle motorboot (BPR artikel 1.01, onderdeel A, 17°). Een waterscooter is er ook een (18°). Voor een snelle motorboot gelden extra regels over leeftijd, registratie en uitrusting; die komen verderop in dit hoofdstuk. Ze gelden ook voor een snelle boot van 15 tot 20 meter.
Let op het woord "kan". Het gaat om wat de boot met zijn eigen motor kan halen, niet om hoe hard u op dat moment vaart. Een speedboot die u rustig op 8 km/h door een kanaal stuurt, blijft een snelle motorboot.
Wat telt niet mee: het motorvermogen, het bouwjaar, het aantal opvarenden en het soort water. Een sloep van 7 meter die niet sneller kan dan 15 km/h vraagt geen vaarbewijs, ook niet met een flinke motor. Een zeilboot van 12 meter met een hulpmotor die niet boven de 20 km/h komt, ook niet.
De lengte is de grootste lengte van de romp, zonder roer en boegspriet (Binnenvaartbesluit artikel 1). Is uw boot precies 15 meter, dan geldt de plicht: de grens is 15 meter of meer.
Het vaarbewijs is nodig voor de schipper, degene die het schip voert (Binnenvaartwet artikel 25, eerste lid; Binnenvaartbesluit artikel 16, tweede lid). Onder zijn gezag mag iemand anders sturen, als die aan de leeftijdsgrens voldoet (zie Leeftijden).
Geen vaarbewijs is nodig voor:
- een boot die alleen door spierkracht wordt voortbewogen, zoals een roeiboot, kano of waterfiets (Binnenvaartbesluit artikel 17, eerste lid);
- een pleziervaartuig van 15 tot 25 meter of een snelle motorboot die meedoet aan een wedstrijd op water dat niet open is voor het gewone scheepvaartverkeer (Binnenvaartregeling artikel 7.4, derde lid). Buiten zo'n afgesloten baan geldt de gewone plicht.
25 meter of meer. Voor een pleziervaartuig van 25 meter of meer is het klein vaarbewijs niet genoeg. Dan is in beginsel een kwalificatiecertificaat schipper nodig, het bewijs van de beroepsvaart (Binnenvaartbesluit artikel 14). Voor de pleziervaart volstaat van 25 tot 40 meter een groot pleziervaartbewijs, en vanaf 40 meter een groot pleziervaartbewijs met de aantekening "40 meter plus" (Binnenvaartregeling artikel 7.8, eerste en tweede lid). Wie dat wil halen, heeft in de regel eerst een geldig klein vaarbewijs nodig (derde lid).
Regel een klein vaarbewijs is verplicht voor een pleziervaartuig van 15 tot 25 meter, en voor een boot korter dan 15 meter die op eigen motor sneller kan dan 20 km/h.
Voorbeeld. U huurt een motorkruiser van 14,5 meter die hooguit 12 km/h haalt. U heeft geen vaarbewijs nodig. Huurt u daarna een kruiser van 15 meter met dezelfde snelheid, dan wel.
Klein vaarbewijs I en II
Er zijn twee kleine vaarbewijzen. Welke u nodig heeft, hangt af van het water waarop u vaart (Binnenvaartbesluit artikel 16, tweede tot en met vierde lid):
- Klein vaarbewijs I geldt voor rivieren, kanalen en meren.
- Klein vaarbewijs II geldt voor alle binnenwateren.
"Rivieren, kanalen en meren" betekent: alle binnenwateren behalve de wateren van maritieme aard. Dat zijn (Binnenvaartregeling artikel 7.11b, tweede lid):
- de Westerschelde en de Oosterschelde;
- de Waddenzee, de Eems en de Dollard;
- het IJsselmeer, het IJmeer en het Markermeer, met uitzondering van de Gouwzee.
Op die wateren heeft u met een vaarbewijsplichtige boot klein vaarbewijs II nodig. Het gaat dus om het water zelf, niet om hoe groot een meer is. Het IJsselmeer staat op de lijst; andere grote wateren, zoals de Friese meren, de Loosdrechtse Plassen, de Grevelingen en het Veerse Meer, staan er niet op en vallen onder klein vaarbewijs I. De grote rivieren, zoals de Maas, de Waal en de IJssel, vallen ook onder klein vaarbewijs I.
Wie klein vaarbewijs II heeft, mag ook overal varen waar klein vaarbewijs I geldt. Een apart klein vaarbewijs I heeft u dan niet nodig.
Het examen voor klein vaarbewijs I gaat over de wettelijke regels voor rivieren, kanalen en meren, de motor, de veiligheid, het vaarwater en eenvoudige weerkunde, en het varen en manoeuvreren. Voor klein vaarbewijs II komen daar de regels voor de Westerschelde, de Eems en de Dollard bij, het gebruik van nautische bescheiden zoals kaarten, koers- en plaatsbepaling, en weerkunde (Binnenvaartregeling artikel 7.15).
Regel klein vaarbewijs I voor rivieren, kanalen en meren; klein vaarbewijs II ook voor de Westerschelde, Oosterschelde, Waddenzee, Eems, Dollard, het IJsselmeer, IJmeer en Markermeer (behalve de Gouwzee).
Leeftijden
Er zijn twee soorten leeftijdsgrenzen. De ene gaat over het vaarbewijs zelf, de andere over wie er aan het roer mag staan.
Het vaarbewijs. Een vaarbewijs wordt niet afgegeven aan iemand die jonger is dan 18 jaar (Binnenvaartwet artikel 27, eerste lid). Een jeugdvaarbewijs bestaat niet.
Sturen. Het BPR zegt wie een schip mag sturen (BPR artikel 1.09, eerste lid). Wie stuurt, moet daartoe altijd bekwaam zijn. Daarnaast hangt de minimumleeftijd af van het soort schip:
- een snelle motorboot: ten minste 18 jaar (onderdeel a);
- een groot schip, een klein motorschip dat geen snelle motorboot is, en een zeilschip van 7 meter of langer: ten minste 16 jaar (onderdeel b);
- een klein open motorschip korter dan 7 meter dat ten opzichte van het water hooguit 13 km/h kan: vanaf 12 jaar (onderdeel c);
- een zeilboot korter dan 7 meter en een kleine boot op spierkracht: het artikel noemt voor deze boten geen leeftijdsgrens. Let op: een zeilboot die onder zeil ook zijn motor gebruikt, is een motorschip (BPR artikel 1.01, onderdeel A, 15°). Op de motor geldt dus de grens van 16 jaar, of 12 jaar voor een klein open bootje korter dan 7 meter dat hooguit 13 km/h kan.
De leeftijd geldt voor degene die stuurt. Een ouder met een vaarbewijs naast een 15-jarige in een speedboot maakt het niet toegestaan: aan het roer van een snelle motorboot staat iemand van 18 of ouder. Alleen voor het oefenen in verenigingsverband voor wedstrijden met snelle motorboten, en voor die wedstrijden zelf, kan de bevoegde autoriteit ontheffing geven van de grens van 18 jaar (BPR artikel 1.09, tweede lid).
Regel vaarbewijs vanaf 18; sturen van een snelle motorboot vanaf 18; een gewone motorboot of een zeilboot van 7 meter of langer vanaf 16; een klein open motorbootje korter dan 7 meter dat hooguit 13 km/h kan vanaf 12.
Voorbeeld. Uw dochter van 13 wil de open sloep van 6 meter sturen die hooguit 10 km/h haalt. Dat mag, want het is een klein open motorschip korter dan 7 meter dat niet sneller kan dan 13 km/h. Een vaarbewijs is voor die sloep ook niet nodig.
Het vaarbewijs halen en houden
Examen. Het klein vaarbewijs is een theorie-examen; er hoort geen praktijkexamen bij. Bent u geslaagd, dan krijgt u een verklaring waarop staat voor welk vaarbewijs u examen heeft gedaan (Binnenvaartregeling artikel 7.17).
Aanvraag. Bij de aanvraag levert u in (Binnenvaartbesluit artikel 20):
- de verklaring van het examen;
- een geneeskundige verklaring, niet ouder dan drie maanden, of voor het klein vaarbewijs een gezondheidsverklaring die u zelf invult, niet ouder dan 26 weken.
Blijkt uit de gezondheidsverklaring dat u lichamelijk en geestelijk geschikt bent, dan hoeft u niet naar een arts. Wijst ze op iets, dan beoordeelt een aangewezen deskundige of dat het veilig varen in de weg staat (Binnenvaartbesluit artikel 26, eerste en vierde lid). De verklaring gaat onder meer over zien en kleuren onderscheiden, horen, hart en longen, armen en benen (artikel 25).
Geldigheid en verlengen. Een klein vaarbewijs is onbeperkt geldig. Alleen als er een medische beperking is, krijgt het een beperkte geldigheidsduur; wie verder wil varen, vraagt dan voor het einde daarvan een nieuw vaarbewijs aan met een nieuwe gezondheidsverklaring. Een vaarbewijs van vóór 1 juli 2014 kan nog een vervaldatum dragen; ook dat is door een wetswijziging onbeperkt geldig. U kunt het bij het CBR tegen betaling omwisselen voor een exemplaar zonder datum, wat in het buitenland misverstanden voorkomt (CBR, klein vaarbewijs). Er is dus geen leeftijd waarop u het moet verlengen.
Ongeldig verklaren. De minister kan een vaarbewijs voor een deel of het geheel van de geldigheidsduur ongeldig verklaren, bijvoorbeeld als blijkt dat de houder lichamelijk of geestelijk niet meer geschikt is, of niet over de vereiste kennis beschikt (Binnenvaartwet artikel 30). Wie weet of redelijkerwijs moet weten dat zijn vaarbewijs ongeldig is verklaard, mag zolang geen vaarbewijsplichtige boot voeren (Binnenvaartwet artikel 25, vijfde lid).
Kwijt of naam veranderd. Een duplicaat vraagt u aan bij de instantie die de vaarbewijzen afgeeft, met de reden erbij. Is het vaarbewijs verloren of vernield, dan legt u daarover een schriftelijke verklaring af. Is het er nog, dan levert u het tegelijk in. Vindt u een verloren vaarbewijs terug nadat u een duplicaat heeft, dan levert u het oude meteen in (Binnenvaartregeling artikel 7.22). Bij een naamswijziging kunt u een nieuw vaarbewijs met dezelfde geldigheid aanvragen; het oude levert u zo mogelijk in (artikel 7.23).
Buitenland. Met een geldig klein vaarbewijs I kunt u op aanvraag het gecombineerde klein vaarbewijs I / ICC inland krijgen; bij klein vaarbewijs II hoort het klein vaarbewijs II / ICC inland + coastal (Binnenvaartregeling artikel 7.25). Het ICC is het internationale bewijs dat in veel Europese landen wordt gevraagd. Andersom erkent Nederland een aantal buitenlandse vaarbewijzen, die in bijlage 7.1 van de regeling staan (artikel 7.11).
Regel een klein vaarbewijs is onbeperkt geldig, tenzij er een medische beperking op staat.
Snelle motorboten: registratie en uitrusting
Voor een snelle motorboot heeft u niet alleen een vaarbewijs nodig. De boot zelf moet ook aan regels voldoen.
Registratie. Een snelle motorboot moet op naam van de eigenaar geregistreerd zijn. U krijgt een registratieteken en een registratiebewijs. Het registratiebewijs is aan boord zolang de boot in gebruik is (BPR artikel 8.01).
Het teken op de romp. Zonder registratieteken mag de boot niet varen. Het teken bestaat uit letters en een nummer, goed zichtbaar en in een kleur die afsteekt tegen de ondergrond, aan beide kanten van de boot. De tekens zijn ten minste 150 mm hoog en 100 mm breed, met een lijndikte (stamdikte) van ten minste 20 mm. Past dat door de bouw van de boot niet, dan mag het kleiner: 100, 60 en 15 mm (BPR artikel 8.02, eerste en tweede lid).
Uitrusting. Een snelle motorboot mag alleen varen als (BPR artikel 8.03):
- brand, ontploffing en hinder door rook of damp zijn voorkomen;
- de uitlaat geluiddempend is;
- de stuurinrichting deugdelijk is;
- er een inrichting is die de voortstuwing vrijwel meteen stopt als de besturing wordt onderbroken, bijvoorbeeld als de bestuurder overboord slaat: de dodemansknop. Bij een gesloten binnenbesturing hoeft die niet;
- er voor iedere opvarende een reddingsvest onder handbereik is. Een drijfkussen is niet genoeg: het BPR noemt alleen het reddingsvest;
- er een deugdelijk brandblusapparaat aan boord is.
De eigenaar of houder blijft medeverantwoordelijk voor de registratie, het teken en de uitrusting, ook als hij de boot uitleent (BPR artikel 8.04).
De bestuurder zit tijdens het varen op zijn zitplaats, gebruikt de dodemansknop altijd en veroorzaakt geen hinder of gevaar (BPR artikel 8.05, eerste lid). Is de boot zo gebouwd dat hij ook veilig staand of alleen staand te besturen is, dan mag staan, maar dan draagt de bestuurder een reddingsvest, behalve achter een gesloten binnenbesturing (vierde en vijfde lid). Hij voorkomt onnodig motorlawaai en laat de motor van een stilliggende boot niet onnodig lang of zonder reden draaien (tweede en derde lid).
Regel een snelle motorboot is geregistreerd, draagt het teken aan beide kanten, heeft een dodemansknop, een brandblusser en voor elke opvarende een reddingsvest onder handbereik.
Papieren aan boord
Aan boord horen de papieren die voor uw schip wettelijk verplicht zijn. Bijlage 13 van het BPR somt op welke papieren dat kunnen zijn, en op verzoek laat u ze zien aan de politie of een andere toezichthouder (BPR artikel 1.10, eerste lid). Voor de pleziervaart zijn dat vooral:
- het vaarbewijs, als uw boot vaarbewijsplichtig is;
- het registratiebewijs van een snelle motorboot (BPR artikel 8.01, tweede lid);
- als u een marifoon aan boord heeft: het marifoonbedieningscertificaat van wie hem bedient, en de vergunning of het registratiebewijs voor het gebruik van de frequentieruimte (bijlage 13, onderdelen 2.5 en 4.5);
- op een pleziervaartuig van 25 meter of meer: het groot pleziervaartbewijs (Binnenvaartregeling artikel 7.8).
Bijlage 13 zegt per document of een elektronisch exemplaar mag (BPR artikel 1.10, tweede lid).
Daarnaast moet er een bijgewerkt exemplaar van het BPR aan boord zijn. Een versie die u op elk moment elektronisch kunt raadplegen, bijvoorbeeld op tablet of telefoon, mag ook (BPR artikel 1.11, eerste lid). De plicht geldt niet voor een klein open schip, en ook niet voor een groot schip zonder bemanningsverblijf (tweede lid). Een open sloep hoeft het reglement dus niet mee te nemen, een kajuitjacht wel.
Regel neem mee wat voor uw boot verplicht is: vaarbewijs, registratiebewijs, marifoonpapieren, en het BPR als u geen klein open schip heeft.
Marifoon
Een klein schip hoeft geen marifoon te hebben. De uitrustingsplicht geldt voor een varend groot schip (BPR artikel 4.05, derde lid; in oudere uitgaven van het BPR artikel 4A.01). Een klein schip is een schip korter dan 20 meter (BPR artikel 1.01, onderdeel A, 4°), met een paar uitzonderingen die altijd als groot schip tellen, zoals een passagiersschip, een vissersschip en een schip dat een groot schip sleept of duwt. De 15 meter van de vaarbewijsplicht is een andere grens.
Heeft u er wel een aan boord, dan gelden er regels:
- u gebruikt hem volgens de Regionale regeling marifoondienst in de binnenvaart, zoals die in het Handboek voor de radiocommunicatie in de binnenvaart staat (BPR artikel 4.05, eerste lid);
- op de kanalen voor schip-schipverkeer en nautische informatie zegt u alleen wat het reglement voorschrijft of toestaat. Privégesprekken horen daar niet (tweede lid);
- tijdens het varen luistert u uit: u luistert mee, beantwoordt oproepen en geeft de berichten die voor de veiligheid nodig zijn (vierde lid, via het achtste lid; uitluisteren staat in artikel 1.01, onderdeel D, 12°). Het kanaal voor schip-schipverkeer is kanaal 10, tenzij er een ander blokkanaal is aangewezen;
- heeft u meer dan één marifoon, dan luistert u op de vaarwegen van bijlage 9 het schip-schipkanaal en het kanaal voor nautische informatie tegelijk uit (vierde en achtste lid);
- op de vaarwegen van bijlage 9 en bijlage 10 luistert u uit op het kanaal dat de bevoegde autoriteit aanwijst en doet u zo nodig mee aan het gesprek (BPR artikel 9.07, tweede en vierde lid). Waar het teken B.11 staat, geldt ter plaatse een marifoonplicht of een meldplicht op het aangegeven kanaal (bijlage 7).
Bijlage 9 noemt onder meer de Nieuwe Waterweg, de Nieuwe en de Oude Maas, de Noord, de Merwedes, het Hollandsch Diep, het Noordzeekanaal, het Amsterdam-Rijnkanaal, het Lekkanaal, de Maas, de Geldersche IJssel, de Twenthekanalen, het Prinses Margrietkanaal en de vaarwegen tussen de zee en de havens aan de Waddenzee.
Bij slecht zicht is een marifoon alleen niet meer genoeg. Op de vaarwegen van bijlage 9 moet een schip bij slecht zicht op radar varen. Kan het dat niet, dan gaat het op de dichtstbijzijnde geschikte plaats stilliggen (BPR artikel 6.29, derde lid). Op radar varen vraagt een goedgekeurde radarinstallatie, iemand met een radarpatent in de stuurhut met een tweede persoon die ermee bekend is, en voor een klein schip ook een marifoon (artikelen 4.06 en 6.32). Een gewoon jacht zonder radar gaat daar dus stilliggen. Op andere vaarwegen mag een klein schip bij slecht zicht doorvaren als dat veilig kan; heeft het een marifoon voor schip-schipverkeer en nautische informatie, dan luistert het uit en geeft het andere schepen de nodige inlichtingen (artikel 6.33, tweede lid).
Regel een klein schip hoeft geen marifoon, maar wie er een heeft, gebruikt hem volgens de regels en luistert uit. Bij slecht zicht op een vaarweg van bijlage 9: op radar varen of stilliggen.
Schipper, aansprakelijkheid en verzekering
Elk schip staat onder het gezag van één persoon: de schipper. Die is verantwoordelijk voor de naleving van het reglement, tenzij het reglement die taak uitdrukkelijk bij iemand anders legt (BPR artikel 1.02, eerste en tweede lid). Wie de eigenaar is of wie er nog meer een vaarbewijs heeft, verandert daar niets aan. De schipper is tijdens de vaart aan boord (vierde lid). Spreek dus voor vertrek af wie de schipper is.
De schipper neemt bovendien alle voorzorgsmaatregelen die goed zeemanschap vraagt, ook waar geen regel ze voorschrijft (BPR artikel 1.04). Hoofdstuk 3 gaat daar verder op in.
Verzekering. Voor een auto is een WA-verzekering wettelijk verplicht, voor een pleziervaartuig niet: de Binnenvaartwet, het Binnenvaartbesluit en het BPR kennen geen verzekeringsplicht. Wie door schuld schade veroorzaakt, kan daarvoor wel aansprakelijk worden gesteld; dat regelt het Burgerlijk Wetboek, niet de vaarregels. Daarom vragen jachthavens, verhuurders en organisatoren van evenementen in de praktijk vaak om een WA-verzekering.
Regel aan boord is één schipper verantwoordelijk; een verzekering is niet wettelijk verplicht.
Samenvatting
- Vaarbewijs verplicht voor de schipper van een pleziervaartuig van 15 tot 25 meter, en van een boot korter dan 15 meter die op eigen motor sneller kan dan 20 km/h. Spierkracht nooit.
- Vanaf 25 meter een groot pleziervaartbewijs (of kwalificatiecertificaat); vanaf 40 meter met de aantekening "40 meter plus".
- Klein vaarbewijs I voor rivieren, kanalen en meren; II voor alle binnenwateren, dus ook Wadden, Eems, Dollard, Oosterschelde, Westerschelde, IJsselmeer, IJmeer en Markermeer.
- Leeftijd: vaarbewijs vanaf 18; snelle motorboot sturen vanaf 18; gewone motorboot en zeilboot van 7 meter of langer vanaf 16; klein open motorbootje korter dan 7 meter dat hooguit 13 km/h kan vanaf 12; zeilboot korter dan 7 meter (onder zeil) en spierkracht zonder grens.
- Geldigheid: onbeperkt, tenzij er een medische beperking op staat.
- Snelle motorboot: geregistreerd, teken aan beide kanten, registratiebewijs aan boord, dodemansknop, brandblusser, een reddingsvest onder handbereik per persoon.
- Aan boord: vaarbewijs, registratiebewijs, marifoonpapieren als u een marifoon heeft, en het BPR (papier of elektronisch) behalve op een klein open schip.
- Marifoon: voor een klein schip niet verplicht; heeft u er een, dan luistert u uit. Bij slecht zicht op een vaarweg van bijlage 9 vaart u op radar of gaat u stilliggen.