Klein Vaarbewijs 2 · oefenvragen

Getijden, stroming en drift: oefenvragen voor het Klein Vaarbewijs 2

12 oefenvragen over getijden, stroming en drift, met het antwoord, de uitleg en de bron. In de app oefent u alle 55 vragen van dit onderwerp en maakt u proefexamens.

Vraag 1 van 12kvb2-N-0044

U wilt een boei recht vooruit bereiken, maar de stroom staat dwars: hij komt van bakboord en loopt naar stuurboord. Wat doet u?

  1. AIk stuur op naar bakboord, tegen de stroom in, zodat mijn weg over de grond recht op de boei blijft.
  2. BIk stuur op naar stuurboord, met de stroom mee, zodat de stroom mij naar de boei brengt.
  3. CIk houd de boeg steeds op de boei gericht en corrigeer pas als de boei duidelijk opzij staat; zo kom ik langs de kortste weg aan.
Antwoord en uitleg

Goed is A: Ik stuur op naar bakboord, tegen de stroom in, zodat mijn weg over de grond recht op de boei blijft.

Om een rechte weg over de grond te houden stuurt u op naar de kant waar de stroom vandaan komt: de boeg wijst iets naar bakboord, de stroom zet u naar stuurboord en samen komt u recht op de boei uit. Wie de boeg steeds op de boei houdt, vaart een boog met de stroom mee (de hondenkoers) en komt met een lange omweg en een scheve aankomst aan.

Bron: Vaarpraktijk: stroom en koers, Navigatie: stroomdriehoek en opsturen

Vraag 2 van 12kvb2-N-0051

Uw boot loopt 4 knopen door het water. Volgens de stroomatlas staat er in de geul de komende uren 3 knopen stroom tegen; daarna keert de stroom. Wat is verstandig?

  1. ADirect vertrekken: 4 knopen is meer dan 3, dus u komt vooruit en elke minuut telt.
  2. BWachten op de kentering: met 1 knoop over de grond kost elke mijl een uur, en met de stroom mee straks nog geen tien minuten.
  3. CVertrekken en midden in de geul blijven; daar is de tegenstroom het zwakst, omdat het water in het midden het diepst is en daardoor trager loopt.
Antwoord en uitleg

Goed is B: Wachten op de kentering: met 1 knoop over de grond kost elke mijl een uur, en met de stroom mee straks nog geen tien minuten.

Met 4 knopen door het water en 3 knopen tegen blijft 1 knoop over de grond over: een mijl per uur, met een draaiende motor en zonder reserve als de stroom iets harder blijkt. Na de kentering is het 4 plus 3 is 7 knopen. Wachten kost een paar uur en bespaart er meer. In het midden van een geul loopt de stroom juist het hardst; langs de kant is hij zwakker.

Bron: Vaarpraktijk: stroom en koers, Navigatie: vaarplan op het getij (stroomatlas)

Vraag 3 van 12kvb2-N-0049

U vertrekt om 10:00 voor een tocht van 12 zeemijl met 4 knopen door het water. De hele tocht heeft u 2 knopen stroom mee. Hoe laat komt u aan?

  1. AOm 13:00.
  2. BOm 16:00.
  3. COm 12:00.
Antwoord en uitleg

Goed is C: Om 12:00.

Stroom mee telt op bij uw eigen vaart: 4 plus 2 is 6 knopen over de grond, en 12 zeemijl kost dan 2 uur, dus aankomst om 12:00. Zonder stroom zou de tocht 3 uur duren (13:00); 16:00 hoort bij 2 knopen over de grond, dus bij stroom tegen. Reken de aankomsttijd altijd met de vaart over de grond uit, niet met wat de log aangeeft.

Bron: Vaarpraktijk: stroom en koers, Navigatie: aankomsttijd met stroom tegen en stroom mee

Vraag 4 van 12kvb2-N-0028

Hoe verhouden LAT en NAP zich tot elkaar langs de Nederlandse kust?

  1. ALAT ligt boven NAP, omdat NAP een landmaat is die op het gemiddelde zeeniveau ligt en het getij daar altijd bovenuit komt.
  2. BLAT ligt onder NAP; het verschil loopt op van ongeveer een meter bij Den Helder tot ruim twee meter bij Vlissingen.
  3. CLAT en NAP vallen samen; het zijn twee namen voor hetzelfde vlak.
Antwoord en uitleg

Goed is B: LAT ligt onder NAP; het verschil loopt op van ongeveer een meter bij Den Helder tot ruim twee meter bij Vlissingen.

NAP ligt dicht bij het gemiddelde zeeniveau; LAT is het laagste getijniveau en ligt dus onder NAP. Hoe groter het getijverschil, hoe dieper LAT onder NAP ligt: ongeveer een meter bij Den Helder, ruim twee meter bij Vlissingen. Dat verschil per plaats heeft u nodig als uw getijtafel in NAP staat en uw kaart in LAT.

Bron: Vaarpraktijk: getijden, Zeekaart: kaartdatum LAT en NAP

Vraag 5 van 12kvb2-N-0050

U moet morgen 20 zeemijl over de Westerschelde stroomopwaarts varen met een boot die 5 knopen loopt. Hoe kiest u uw vertrektijd?

  1. AZo vroeg mogelijk in de ochtend; de stroom is dan het zwakst, want de getijstroom neemt in de loop van de dag met de wind toe.
  2. BZo dat ik de vloedstroom zoveel mogelijk mee heb: ik zoek in de stroomatlas of de getijtafel op wanneer de vloed begint te lopen.
  3. CPrecies bij hoogwater: dan staat het water het hoogst, loopt de stroom het hardst mee en heb ik de meeste diepte in de geulen.
Antwoord en uitleg

Goed is B: Zo dat ik de vloedstroom zoveel mogelijk mee heb: ik zoek in de stroomatlas of de getijtafel op wanneer de vloed begint te lopen.

Stroomopwaarts op de Westerschelde wilt u de vloedstroom mee hebben; die loopt ongeveer zes uur en begint na de laagwaterkentering. Wie bij hoogwater vertrekt, krijgt kort daarna de ebstroom tegen en doet er bij 5 knopen uren langer over. Het tijdstip op de klok zegt niets over de stroom; het getij wel.

Bron: Vaarpraktijk: stroom en koers, Navigatie: vaarplan op het getij (stroomatlas)

Vraag 6 van 12kvb2-N-0060

U bent vanaf uw drooggevallen schip over de plaat gaan wandelen. Waarom moet u ruim voor het opkomende water terug aan boord zijn?

  1. AOmdat de vloed op het wad altijd als een hoge golf over de plaat komt aanlopen, die een wandelaar in het open terrein niet voor kan blijven.
  2. BOmdat het opkomende water eerst de prielen vult en u van het schip kan afsnijden; halverwege het getij stijgt het water het snelst.
  3. COmdat het schip zonder bemanning bij opkomend water vanzelf van het anker losraakt.
Antwoord en uitleg

Goed is B: Omdat het opkomende water eerst de prielen vult en u van het schip kan afsnijden; halverwege het getij stijgt het water het snelst.

Het water komt niet als een golf, maar via de prielen en geulen die de plaat doorsnijden; die lopen als eerste vol en worden snel te diep en te sterk stromend om door te waden. Volgens de twaalfdelenregel gaat het halverwege het getij het hardst. Keer dus terug zodra het water begint te komen, en let al bij het weggaan op welke prielen tussen u en het schip liggen.

Bron: Vaarpraktijk: Waddenzee en Zeeuwse wateren, Vaarpraktijk: droogvallen op het wad (advies Wadvaarders)

Vraag 7 van 12kvb2-N-0030

Op de kaart staat voor een plaat een droogvallende hoogte van 0,8 meter boven LAT. Volgens de getijtafel komt het hoogwater vandaag tot 2,2 meter boven LAT. Hoeveel water staat er bij hoogwater op de plaat?

  1. A3,0 meter.
  2. B0,8 meter.
  3. C1,4 meter.
  4. D2,2 meter.
Antwoord en uitleg

Goed is C: 1,4 meter.

Een droogvallende hoogte ligt boven het reductievlak, een kaartdiepte eronder. Bij een waterstand van 2,2 meter boven LAT staat er op een plaat die 0,8 meter boven LAT uitsteekt 2,2 min 0,8 is 1,4 meter water. Bij een kaartdiepte zou u de waterstand erbij optellen; bij een droogvallende hoogte trekt u hem eraf.

Bron: Vaarpraktijk: getijden, Zeekaart: kaartdatum LAT en droogvallende hoogten

Vraag 8 van 12kvb2-N-0011

Bij welke maanstanden valt springtij?

  1. ABij eerste en laatste kwartier.
  2. BAlleen bij volle maan.
  3. CBij nieuwe maan en bij volle maan.
Antwoord en uitleg

Goed is C: Bij nieuwe maan en bij volle maan.

Bij nieuwe en volle maan staan zon, maan en aarde ongeveer op een lijn; de getijkrachten van zon en maan tellen dan bij elkaar op en het getijverschil is het grootst: springtij. Bij eerste en laatste kwartier staan zon en maan haaks op elkaar en werken ze elkaar tegen: doodtij. Springtij komt dus ongeveer twee keer per maand voor, niet alleen bij volle maan.

Bron: Vaarpraktijk: getijden, Getijtafels Rijkswaterstaat: springtij en doodtij

Vraag 9 van 12kvb2-N-0055

Op welke van deze Zeeuwse wateren heeft u met eb en vloed en een echte getijstroom te maken?

  1. AOp alle Zeeuwse wateren; ze staan allemaal open naar zee.
  2. BOp de Westerschelde en de Oosterschelde.
  3. COp het Veerse Meer en het Grevelingenmeer.
Antwoord en uitleg

Goed is B: Op de Westerschelde en de Oosterschelde.

De Westerschelde is een open estuarium met een getijverschil van ongeveer 4 meter en sterke stromen. De Oosterschelde heeft door de open stormvloedkering nog een getij van ongeveer 3 meter. Het Veerse Meer en het Grevelingenmeer zijn met dammen van de zee afgesloten en hebben vrijwel geen getij; hun peil wordt geregeld.

Bron: Vaarpraktijk: Waddenzee en Zeeuwse wateren, Stroomatlas Westerschelde en Oosterschelde

Vraag 10 van 12kvb2-N-0035

Een geul heeft op de kaart een diepte van 0,6 meter. Vandaag is laagwater volgens de getijtafel 0,3 meter boven LAT en hoogwater 2,1 meter boven LAT. Uw diepgang is 1,0 meter. Wanneer kunt u de geul passeren?

  1. AAlleen rond laagwater, omdat de stroom dan het zwakst is.
  2. BOp elk moment: er staat altijd ten minste 0,6 meter water.
  3. CRond hoogwater: bij laagwater staat er ongeveer 0,9 meter en bij hoogwater ongeveer 2,7 meter.
  4. DNooit: de kaartdiepte is kleiner dan uw diepgang, en de kaart geeft de diepte die u in de geul kunt verwachten.
Antwoord en uitleg

Goed is C: Rond hoogwater: bij laagwater staat er ongeveer 0,9 meter en bij hoogwater ongeveer 2,7 meter.

Werkelijke diepte is kaartdiepte plus waterhoogte boven LAT. Bij laagwater is dat 0,6 plus 0,3 is 0,9 meter, te weinig voor 1,0 meter diepgang; bij hoogwater 0,6 plus 2,1 is 2,7 meter, ruim voldoende. Een kaartdiepte kleiner dan de diepgang betekent dus niet dat een geul onbevaarbaar is, alleen dat u het getij moet gebruiken.

Bron: Vaarpraktijk: getijden, Getijtafels Rijkswaterstaat: waterhoogte boven kaartdiepte

Vraag 11 van 12kvb2-N-0026

Op de Nederlandse zeekaarten zijn de dieptecijfers opgegeven ten opzichte van LAT. Wat is LAT?

  1. AHet gemiddelde zeeniveau over een jaar (Lowest Average Tide).
  2. BHet laagste waterniveau dat het getij onder gemiddelde weersomstandigheden kan bereiken (Lowest Astronomical Tide).
  3. CHet laagste waterniveau dat ooit op die plaats is gemeten, stormen en langdurige afwaaiing inbegrepen, zodat de kaart aan de veilige kant zit.
Antwoord en uitleg

Goed is B: Het laagste waterniveau dat het getij onder gemiddelde weersomstandigheden kan bereiken (Lowest Astronomical Tide).

LAT, Lowest Astronomical Tide, is het laagste waterniveau dat alleen door het getij (de standen van zon en maan over een hele cyclus van ongeveer 19 jaar) kan voorkomen, bij gemiddeld weer. Het is het reductievlak of de kaartdatum van de zeekaart: de dieptecijfers gelden bij die laagste astronomische stand. Weersinvloeden zoals afwaaiing zitten er niet in.

Bron: Vaarpraktijk: getijden, Zeekaart: kaartdatum LAT (Dienst der Hydrografie)

Vraag 12 van 12kvb2-N-0045

U stuurt een ware koers van 090 graden. Uw GPS toont een koers over de grond (COG) van 097 graden. Er staat geen wind. Wat leert u daaruit over de stroom?

  1. ADe stroom loopt ongeveer naar het zuiden: hij zet u naar stuurboord.
  2. BDe stroom loopt ongeveer naar het noorden: hij zet u naar bakboord.
  3. CDe stroom staat recht tegen; daardoor wijkt de COG van de gestuurde koers af.
Antwoord en uitleg

Goed is A: De stroom loopt ongeveer naar het zuiden: hij zet u naar stuurboord.

Met de boeg op het oosten en een weg over de grond rechts daarvan (097 is meer naar het zuiden dan 090) wordt het schip naar stuurboord verzet: het water beweegt in zuidelijke richting. Stroom recht van voren verandert alleen de vaart over de grond, niet de koers. Het verschil tussen gestuurde koers en COG is de eenvoudigste manier om onderweg te zien dat u verzet wordt.

Bron: Vaarpraktijk: stroom en koers, Navigatie: koers door het water en koers over de grond

Oefen dit onderwerp in de app: de vragen komen terug tot u ze goed heeft.

Oefen getijden, stroming en drift Doe een proefexamen

Andere onderwerpen

Meer over het examen: Klein Vaarbewijs 2 (KVB2): het examen, de stof en oefenvragen.

Bijgewerkt op 26 oktober 2026. Slagen is niet verbonden aan het CBR. Ziet u een fout? Mail support@slagen.eu met het nummer van de vraag.