Navigatie: kaart, kompas en koersen: oefenvragen voor het Klein Vaarbewijs 2
12 oefenvragen over navigatie: kaart, kompas en koersen, met het antwoord, de uitleg en de bron. In de app oefent u alle 90 vragen van dit onderwerp en maakt u proefexamens.
Vraag 1 van 12kvb2-M-0040
De deviatietabel geeft op uw koers een deviatie van 3° O. Wat betekent dat?
AHet magnetische noorden ligt op die plaats 3° oostelijk van het ware noorden.
BDe deviatie bedraagt 3° en geldt voor alle koersen in de oostelijke helft van de roos.
CHet kompasnoorden ligt 3° oostelijk van het magnetische noorden.
Antwoord en uitleg
Goed is C: Het kompasnoorden ligt 3° oostelijk van het magnetische noorden.
Deviatie oost betekent dat het noorden van uw kompas 3° rechts (oostelijk) van het magnetische noorden staat; het kompas leest daardoor 3° te laag. De eerste optie beschrijft een oostelijke variatie, en een deviatie geldt alleen voor de koers waarbij hij in de tabel staat.
U wilt de breedte van uw positie van de kaart aflezen. Waar vindt u de breedteschaal?
AAan de boven- en onderrand van de kaart, naast de lengtegraden.
BIn de kompasroos.
CAan de linker- en rechterrand van de kaart.
Antwoord en uitleg
Goed is C: Aan de linker- en rechterrand van de kaart.
De breedteschaal staat aan de linker- en rechterrand van de kaart; u schuift met de parallelliniaal of plotter horizontaal van uw positie naar de rand en leest de breedte af. De lengte leest u op dezelfde manier aan de boven- of onderrand. De kompasroos geeft richtingen, geen coördinaten.
De kompasroos op uw kaart vermeldt: variatie 1°30' O (2025), jaarlijkse toename 10'. U vaart in 2026. Welke variatie gebruikt u?
A1°30' O; de jaarlijkse verandering verwaarloost u altijd.
B1°40' O.
C1°20' O.
Antwoord en uitleg
Goed is B: 1°40' O.
De variatie in de roos geldt voor het genoemde jaar; voor elk jaar daarna past u de jaarlijkse verandering toe. Eén jaar na 2025 met een toename van 10' geeft 1°40' O. Staat er een afname, dan trekt u de minuten af. Voor het sturen rondt u daarna af op hele graden.
Waarvoor gebruikt u een parallelliniaal op de zeekaart?
AOm een richting evenwijdig te verschuiven tussen de kompasroos en uw positie.
BOm afstanden van de breedteschaal af te passen en over te brengen naar het traject op de kaart.
COm dieptecijfers op te tellen bij de waterstand.
Antwoord en uitleg
Goed is A: Om een richting evenwijdig te verschuiven tussen de kompasroos en uw positie.
Een parallelliniaal bestaat uit twee linialen met scharnieren, die u afwisselend vasthoudt en verschuift zonder dat de richting verandert. Zo brengt u een koers of peiling van de kompasroos naar de plek in de kaart, of een getekende lijn naar de roos om de richting af te lezen. Afstanden past u af met de passer.
Waarheen wijst de roos van het magnetische stuurkompas aan boord als er geen storing van het schip zelf is?
ANaar het ware noorden, de geografische noordpool.
BNaar het magnetische noorden.
CNaar de noordrichting van de kompasroos op de kaart.
Antwoord en uitleg
Goed is B: Naar het magnetische noorden.
De magneten onder de roos richten zich naar het aardmagnetische veld, dus naar het magnetische noorden. Dat ligt niet op de geografische noordpool; het verschil heet variatie en vindt u in de kompasroos op de kaart. Storing van het eigen schip komt daar nog bovenop als deviatie.
Welke bewering over de beperkingen van GPS aan boord is juist?
AGPS werkt niet bij zware bewolking of regen; dan vaart u op kompas en log.
BGPS is op zee onnauwkeuriger dan op de binnenwateren, omdat boven open water minder satellieten in zicht zijn en de signalen door het water verstrooien.
CGPS geeft uw positie, maar weet niet of de weg daarheen veilig is; kaart en uitkijk blijven nodig.
Antwoord en uitleg
Goed is C: GPS geeft uw positie, maar weet niet of de weg daarheen veilig is; kaart en uitkijk blijven nodig.
De positie uit de GPS is meestal tot op enkele meters goed, bij elk weer en juist op open water met vrij zicht op de satellieten. Maar een positie zegt niets over ondiepten, tonnen of ander verkeer op de lijn naar uw waypoint; dat haalt u uit de kaart en ziet u met uw ogen. Reken ook op uitval door stroomstoring, antenne of verstoring van het signaal.
AEen positie uit twee peilingen op herkenbare objecten aan de wal.
BDe positie die de GPS-ontvanger toont, afgerond op hele minuten breedte en lengte, als controle.
CEen positie uit uw laatste zekere positie, de gestuurde koers en de afgelegde afstand.
Antwoord en uitleg
Goed is C: Een positie uit uw laatste zekere positie, de gestuurde koers en de afgelegde afstand.
Bij een gegist bestek zet u vanaf de laatste zekere positie de ware koers uit en past u daarop de verheid af, de afstand uit vaart en verstreken tijd. Het is een schatting: stroom, drift en stuurfouten zitten er niet in. Een kruispeiling of GPS-positie vervangt het gegist bestek door een zekere positie.
Bij een vuurtoren staat in de kaart 'Fl(2) 10s 48m 20M'. Wat betekent '20M'?
ADe bouwhoogte van de toren zelf is 20 meter, gemeten vanaf de voet.
BHet licht heeft een nominale dracht van 20 zeemijl.
CHet licht brandt 20 minuten per uur, in de nachtelijke uren.
Antwoord en uitleg
Goed is B: Het licht heeft een nominale dracht van 20 zeemijl.
In de lichtomschrijving staat een hoofdletter M voor zeemijl: de dracht, de afstand waarover het licht bij helder zicht te zien is. Een kleine m is meters (de hoogte van het licht) en s is seconden (de periode). Of u het licht werkelijk ziet, hangt ook af van uw ooghoogte en de kromming van de aarde.
U kiest twee objecten voor een kruispeiling. Welke hoek tussen de peilingen geeft de betrouwbaarste positie?
AOngeveer 10°, zodat de lijnen bijna evenwijdig lopen.
BOngeveer 90°.
COngeveer 180°, dus één object recht vooruit en één recht achteruit.
Antwoord en uitleg
Goed is B: Ongeveer 90°.
Bij een hoek van ongeveer 90° snijden de peilingslijnen elkaar scherp en geeft een fout van een paar graden maar een kleine verschuiving van het snijpunt. Bij hoeken dicht bij 0° of 180° lopen de lijnen bijna gelijk en schuift het snijpunt bij de kleinste fout ver weg. Tussen 60° en 120° is goed; tot 30° of 150° is het nog bruikbaar.
Een graad is verdeeld in 60 boogminuten. Op zeekaarten en in de GPS-ontvanger worden minuten verder in tienden of honderdsten geschreven, bijvoorbeeld 52°30,25' N. Oudere opgaven gebruiken seconden (60 seconden in een minuut); stel uw GPS in op dezelfde notatie als uw kaart.
Twee bakens staan precies in één lijn achter elkaar als u ernaar kijkt. Wat weet u dan over uw positie?
AU ligt precies tussen de twee bakens in, op gelijke afstand van beide, zonder dat u het kompas nodig heeft.
BU ligt op de verlengde lijn door beide bakens: een nauwkeurige positielijn zonder kompas.
CU weet alleen de afstand tot het voorste baken, niet de richting.
Antwoord en uitleg
Goed is B: U ligt op de verlengde lijn door beide bakens: een nauwkeurige positielijn zonder kompas.
Twee objecten in één lijn vormen een geleidelijn of lijnpeiling: u bevindt zich ergens op het verlengde van die lijn, en die richting staat in de kaart. Omdat er geen kompas aan te pas komt, zit er geen deviatie- of variatiefout in. Eén peiling of dieptelijn erbij maakt er een positie van.
Op uw koers gelden een variatie van 2° W en een deviatie van 2° O. Wat is het gezamenlijke effect bij het omrekenen van ware koers naar kompaskoers?
AZe heffen elkaar op; de kompaskoers is gelijk aan de ware koers.
BZe versterken elkaar; de kompaskoers ligt 4° van de ware koers af.
CAlleen de variatie telt; de deviatie geldt niet zolang de variatie westelijk is.
Antwoord en uitleg
Goed is A: Ze heffen elkaar op; de kompaskoers is gelijk aan de ware koers.
Westelijke variatie telt u erbij (+2°), oostelijke deviatie trekt u eraf (−2°): samen 0°, dus de kompaskoers is gelijk aan de ware koers. Hadden beide dezelfde richting gehad, dan was de totale afwijking 4° geweest. Tel ze altijd met hun teken op.