Bruggen, sluizen, ligplaats en ankeren: oefenvragen voor het Klein Vaarbewijs 1
12 oefenvragen over bruggen, sluizen, ligplaats en ankeren, met het antwoord, de uitleg en de bron. In de app oefent u alle 48 vragen van dit onderwerp en maakt u proefexamens.
Vraag 1 van 12kvb1-G-0019
Op de wachtplaats van een sluis liggen, in volgorde van aankomst, een binnenvaartschip van 80 meter, uw motorjacht van 9 meter en daarna nog een tweede groot schip. De sluis gaat open en alle drie passen erin. In welke volgorde wordt ingevaren?
AEerst beide grote schepen, daarna mijn jacht; een klein schip vaart pas na de andere schepen in.
BMijn jacht eerst, omdat een klein schip het snelst gemeerd ligt.
CHet tweede grote schip eerst, omdat het het dichtst bij de sluisdeur ligt.
DStrikt op volgorde van aankomst: het schip van 80 meter, dan mijn jacht, dan het tweede grote schip.
Antwoord en uitleg
Goed is A: Eerst beide grote schepen, daarna mijn jacht; een klein schip vaart pas na de andere schepen in.
Schepen varen een sluis in volgorde van aankomst op de wachtplaats in, maar een klein schip dat samen met schepen die geen klein schip zijn wordt geschut, mag de sluis pas invaren na die andere schepen (BPR artikel 6.28, lid 3).
U ligt 's nachts met uw motorboot van 7 meter voor anker buiten een jachthaven, op een plek waar u voor passerende schepen zichtbaar moet zijn. Welk licht voert u?
AEén wit gewoon rondomschijnend licht, waar het het best te zien is.
BGeen licht; een stilliggend klein schip hoeft nooit een licht te voeren.
CBoordlichten en een heklicht, net als tijdens het varen, maar dan op halve sterkte.
DTwee witte lichten, vóór op tenminste 4 meter en achter 2 meter lager.
Antwoord en uitleg
Goed is A: Eén wit gewoon rondomschijnend licht, waar het het best te zien is.
Een klein schip dat stilligt moet 's nachts één wit gewoon rondomschijnend licht voeren, waar dit het best kan worden gezien (BPR artikel 3.20, lid 4). De twee witte lichten op verschillende hoogte gelden voor een schip dat geen klein schip is en niet aan de oever gemeerd ligt (lid 2).
U ligt 's nachts met uw kleine motorboot voor anker. Uw anker ligt zo ver uit dat de ankerlijn een gevaar voor passerende schepen kan vormen. Wat moet u dan extra tonen?
AEen tweede wit rondomschijnend licht ongeveer 1 meter onder mijn witte licht, en bij het anker een gele boei met radarreflector.
BNiets extra; voor een klein schip is één wit licht altijd voldoende, ook als het anker ver uitstaat.
CEen rood rondomschijnend licht ongeveer 1 meter boven mijn witte licht, en bij het anker een rode boei met radarreflector.
DAlleen een zwarte bol op het voorschip en een zwarte bol bij het anker, ook 's nachts, want een licht is niet nodig.
Antwoord en uitleg
Goed is A: Een tweede wit rondomschijnend licht ongeveer 1 meter onder mijn witte licht, en bij het anker een gele boei met radarreflector.
Een schip waarvan een anker zo is uitgezet dat het gevaar voor de scheepvaart kan opleveren, voert 's nachts als bijkomend licht een tweede wit gewoon rondomschijnend licht, ongeveer 1 meter loodrecht onder het licht van artikel 3.20; het anker zelf wordt aangeduid met een gele boei met een radarreflector (BPR artikel 3.26, lid 1 en 3).
U nadert de wachtplaats van een sluis achter een langzaam varend vrachtschip. U wilt het nog vóór de wachtplaats voorbijlopen om eerder bij de sluis te zijn. Mag dat?
AJa, een klein schip mag op een wachtplaats altijd voorbijlopen.
BNee, tenzij het vrachtschip langzamer vaart dan 6 km/h en ik een lange stoot geef.
CNee, bij het naderen van en op een wachtplaats mag ik niet voorbijlopen.
DJa, als ik aan bakboord voorbijloop en vooraf een geluidssein geef.
Antwoord en uitleg
Goed is C: Nee, bij het naderen van en op een wachtplaats mag ik niet voorbijlopen.
Bij het naderen van een wachtplaats van een sluis en op de wachtplaats is voorbijlopen verboden (BPR artikel 6.28, lid 4).
Boven een doorvaartopening van een vaste brug hangt één gele ruit (teken D.1a). Boven de opening ernaast hangen twee gele ruiten naast elkaar (teken D.1b). Wat is het verschil tussen deze twee tekens?
ABij D.1a is doorvaren verplicht voor kleine schepen; bij D.1b is doorvaren verboden voor kleine schepen.
BBij D.1a is de opening alleen voor afvaart bestemd, bij D.1b alleen voor opvaart, ongeacht de scheepsgrootte.
CD.1a geldt alleen overdag en D.1b alleen 's nachts; de betekenis is verder gelijk en beide zijn aanbevolen.
DBeide openingen zijn aanbevolen; bij D.1b is doorvaart uit de tegengestelde richting verboden, bij D.1a niet.
Antwoord en uitleg
Goed is D: Beide openingen zijn aanbevolen; bij D.1b is doorvaart uit de tegengestelde richting verboden, bij D.1a niet.
De tekens D.1a en D.1b bevelen een doorvaartopening van een vaste brug aan. Bij D.1a is de opening vrij voor doorvaart uit beide richtingen; bij D.1b is doorvaart uit de tegengestelde richting verboden, zodat u daar geen tegenligger hoeft te verwachten (BPR artikel 6.25, lid 2).
U vaart met 10 km/h recht op de doorvaartopening van een beweegbare brug af. Het groene licht verandert plotseling in een rood vast licht met daaronder een groen flikkerlicht (teken A.11.1). U bent de opening al tot op enkele meters genaderd. Wat doet u?
AIk sla met volle kracht achteruit; dit sein verbiedt doorvaren in alle gevallen, hoe dichtbij ik ook ben.
BIk vaar door; het groene flikkerlicht betekent dat de brug speciaal voor mij wordt geopend.
CIk vaar door; dit sein verbiedt doorvaren, tenzij stilhouden redelijkerwijs niet meer mogelijk is.
DIk geef een lange stoot en blijf in de doorvaartopening liggen tot een nieuw sein wordt getoond.
Antwoord en uitleg
Goed is C: Ik vaar door; dit sein verbiedt doorvaren, tenzij stilhouden redelijkerwijs niet meer mogelijk is.
Een rood vast licht met daaronder een groen flikkerlicht (teken A.11.1) betekent: het doorvaren is verboden, tenzij het schip de doorvaartopening zo dicht is genaderd dat stilhouden redelijkerwijs niet meer mogelijk is (BPR artikel 6.26, lid 4, onder f). Een schip dat nog ruim op tijd is, houdt vóór het bord B.5 stil.
Uw boot heeft een kruiphoogte van 2,40 meter. Aan de stuurboordzijde van een brugopening ziet u een hoogteschaal in blokken van 1 meter met een onderverdeling. Het water staat ter hoogte van de streep 2,5. Wat leest u hieruit af?
ADe doorvaarthoogte is ongeveer 2,5 meter; met 2,40 meter kruiphoogte kan ik er, voorzichtig en bij vlak water, net onderdoor.
BDe waterdiepte in de doorvaartopening is 2,5 meter, dus onder de brug is genoeg water voor mijn boot.
CDe schaal geeft de hoogte van het brugdek boven NAP aan en zegt niets over de doorvaart onder de brug, alleen over de constructie.
DDe doorvaartopening is 2,5 meter breed, dus mijn boot past er in de breedte net doorheen.
Antwoord en uitleg
Goed is A: De doorvaarthoogte is ongeveer 2,5 meter; met 2,40 meter kruiphoogte kan ik er, voorzichtig en bij vlak water, net onderdoor.
Een hoogteschaal aan de stuurboordzijde (of aan beide zijden) van een doorvaartopening geeft de beschikbare doorvaarthoogte aan, verdeeld in blokken van 1 meter, soms met halve meters en decimeters; de waterlijn wijst de actuele hoogte aan (BPR bijlage 7, onderdeel G.5). Een voorhoogteschaal op enige afstand vóór de brug waarschuwt vooraf.
U nadert met uw motorjacht een vaste brug met drie doorvaartopeningen. Boven de middelste opening hangt een rechthoekig bord met een rode, een witte en een rode baan (teken A.1). Wat betekent dit voor u?
ADeze opening is alleen bestemd voor schepen langer dan 20 meter.
BDeze opening is de aanbevolen opening voor mijn vaarrichting.
CDoor deze opening mag ik niet varen; ik kies een andere.
DIk mag deze opening alleen gebruiken als er geen tegenligger aankomt.
Antwoord en uitleg
Goed is C: Door deze opening mag ik niet varen; ik kies een andere.
Het teken A.1 boven een doorvaartopening van een vaste brug betekent dat varen door die opening verboden is (BPR artikel 6.25, lid 1). Het rood-wit-rode bord is de bordvorm van A.1; het teken kan ook als rode vaste lichten worden getoond (bijlage 7, onderdeel G).
U vaart met een motorboot van 8 meter op het Veerse Meer en wilt voor de nacht ankeren. Het Veerse Meer staat in bijlage 14 van het BPR zowel onder a als onder b. Wat betekent dat voor u?
AIk mag er alleen meren aan een kade; ankeren is op het hele meer verboden, ook voor kleine schepen.
BLigplaats nemen is er overal toegestaan, omdat de vaarweg ook onder b is genoemd; het verbod onder a vervalt dan.
CLigplaats nemen is er overal verboden, ook voor kleine schepen en ook buiten het doorgaande vaarwater.
DLigplaats nemen is er verboden, maar een klein schip mag op een veilige plaats buiten het doorgaande vaarwater liggen.
Antwoord en uitleg
Goed is D: Ligplaats nemen is er verboden, maar een klein schip mag op een veilige plaats buiten het doorgaande vaarwater liggen.
Op de vaarwegen van bijlage 14, onder a, is ligplaats nemen (ankeren en meren) verboden (BPR artikel 9.03, lid 1). Op de vaarwegen die ook onder b staan, zoals het Veerse Meer, geldt dat verbod niet voor een klein schip dat op een veilige plaats buiten het voor de doorgaande scheepvaart bestemde vaarwater ligt (artikel 9.03, lid 5, en bijlage 14).
U ligt gemeerd in een sluis en wacht tot de deuren opengaan. Mag u de motor in de versnelling zetten om de boot rustig tegen de kant te houden?
AJa, een klein schip mag de schroef in een sluis vrij gebruiken om de boot aan de kant te houden.
BNee, zodra ik gemeerd lig en totdat ik aan de beurt ben om uit te varen, mag ik mijn motor niet gebruiken.
CNee, de motor moet al zijn afgezet bij het bord B.5 op de wachtplaats en blijft uit tot na het schutten.
DJa, zolang ik niet meer dan stationair toerental geef en de schroef niet tegen de muur draait.
Antwoord en uitleg
Goed is B: Nee, zodra ik gemeerd lig en totdat ik aan de beurt ben om uit te varen, mag ik mijn motor niet gebruiken.
In een sluis mag een schip, zodra het is gemeerd en totdat het uitvaren wordt toegestaan, geen gebruik maken van zijn mechanische middelen tot voortbeweging (BPR artikel 6.28, lid 7, onder e). Schroefwater hindert en beschadigt andere schepen in de kolk.
Uw boot heeft een anker dat aan de boeg buitenboord hangt, klaar om te vallen. U vaart een sluis in. Wat geldt voor dat anker?
AHet anker moet juist een halve meter in het water hangen om de boot in de kolk rustig te houden.
BAlleen schepen langer dan 20 meter hoeven hun ankers in een sluis voor te halen.
CHet anker mag blijven hangen zolang het niet in het water komt.
DIn de sluis moet het anker geheel zijn voorgehaald, dus binnenboord of strak tegen de boeg.
Antwoord en uitleg
Goed is D: In de sluis moet het anker geheel zijn voorgehaald, dus binnenboord of strak tegen de boeg.
In een sluis moet een schip zijn ankers geheel voorhalen; dat geldt ook op de wachtplaats zolang de ankers niet worden gebruikt (BPR artikel 6.28, lid 5). Een hangend anker kan de sluisdeuren of andere schepen beschadigen.