Klein Vaarbewijs 1 · oefenvragen

Weer, water en milieu: oefenvragen voor het Klein Vaarbewijs 1

12 oefenvragen over weer, water en milieu, met het antwoord, de uitleg en de bron. In de app oefent u alle 45 vragen van dit onderwerp en maakt u proefexamens.

Vraag 1 van 12kvb1-J-0017

In een weerbericht voor de scheepvaart staat de windsnelheid in knopen. Hoeveel kilometer per uur is 20 knopen ongeveer?

  1. AOngeveer 20 km/h
  2. BOngeveer 37 km/h
  3. COngeveer 72 km/h
Antwoord en uitleg

Goed is B: Ongeveer 37 km/h

Een knoop is een zeemijl (1852 m) per uur, dus 20 knopen is ongeveer 37 km/h; dat komt overeen met windkracht 5. Berichten voor het land gebruiken vaak m/s of km/h, scheepvaartberichten knopen of Beaufort. Vermenigvuldig knopen grofweg met 1,85 voor km/h.

Bron: Vaarpraktijk: weer en water, KNMI windschaal van Beaufort (omrekening knopen en km/h)

Vraag 2 van 12kvb1-J-0023

U zet de vaart bij mist voort en hoort een tegenligger naderen. Welke regel geldt bij slecht zicht voor uw plaats in het vaarwater?

  1. ADe bakboordzijde houden, zodat de uitkijk de oever het beste ziet en u elkaar aan bakboord passeert
  2. BDe tegenligger aan stuurboord passeren als hij een blauw bord toont, ook als het zicht slecht is
  3. CZoveel mogelijk de stuurboordzijde van het vaarwater houden; het blauwe bord geldt bij slecht zicht niet
Antwoord en uitleg

Goed is C: Zoveel mogelijk de stuurboordzijde van het vaarwater houden; het blauwe bord geldt bij slecht zicht niet

Een schip dat bij slecht zicht de vaart voortzet, moet zoveel mogelijk de zijde van het vaarwater aan stuurboord houden; artikel 6.04a (stuurboord-stuurboord passeren met het blauwe bord) en artikel 6.05 (de bijzondere regels voor de Geldersche IJssel en de Maas) zijn dan niet van toepassing (BPR artikel 6.30, lid 5). Bakboord-bakboord passeren is bij mist de enige voorspelbare keus.

Bron: Binnenvaartpolitiereglement, artikel 6.30, lid 5

Vraag 3 van 12kvb1-J-0018

Na een heldere, windstille nacht in september hangt er bij zonsopkomst dichte mist boven de plas waar u ligt. Welk soort mist is dit en wat is het meest waarschijnlijke verloop?

  1. AFrontmist; hij verdwijnt pas als de wind naar het oosten of het noorden draait
  2. BStralingsmist; hij lost meestal in de loop van de ochtend op als de zon de lucht opwarmt
  3. CAdvectiemist; hij blijft meestal de hele dag hangen, ook als de zon schijnt
Antwoord en uitleg

Goed is B: Stralingsmist; hij lost meestal in de loop van de ochtend op als de zon de lucht opwarmt

Stralingsmist ontstaat doordat de grond en de lucht erboven bij een heldere hemel en weinig wind in de nacht sterk afkoelen. Zodra de zon de lucht verwarmt, verdampt de mist meestal binnen enkele uren. Wacht met vertrekken tot het zicht goed is; boven water blijft de mist vaak wat langer hangen dan boven land.

Bron: Vaarpraktijk: weer en water, KNMI uitleg mistsoorten

Vraag 4 van 12kvb1-J-0046

Wat wordt aan boord bedoeld met zwart water, en wat geldt daarvoor op de Nederlandse binnenwateren?

  1. ABilgewater met olie; lozen mag zolang u buiten de vaargeul bent en niet in een haven ligt
  2. BToiletwater; lozen vanaf een pleziervaartuig is verboden, het hoort in een vuilwatertank die u in de haven leegpompt
  3. CAfwas- en douchewater; lozen is verboden zonder vergunning van de havenmeester of het waterschap
Antwoord en uitleg

Goed is B: Toiletwater; lozen vanaf een pleziervaartuig is verboden, het hoort in een vuilwatertank die u in de haven leegpompt

Zwart water is het water van het toilet. Lozen daarvan vanaf een pleziervaartuig is op de Nederlandse binnenwateren sinds 2009 verboden; het gaat in een vuilwatertank die u leegt bij een vuilwaterinnamestation (walpomp) in een jachthaven. Grijs water (afwas, douche) mag wel worden geloosd; gebruik dan biologisch afbreekbare middelen. Bilgewater met olie mag nooit overboord.

Bron: Vaarpraktijk: milieu, Lozingsverbod toiletwater pleziervaart (sinds 2009); voorlichting Rijkswaterstaat en ILT

Vraag 5 van 12kvb1-J-0026

Welk geluidssein geeft een schip dat niet op radar vaart bij slecht zicht, en hoe vaak?

  1. AEen reeks zeer korte stoten, herhaald met tussenpozen van ten hoogste één minuut
  2. BEén lange stoot, herhaald met tussenpozen van ten hoogste één minuut
  3. CTwee korte stoten, herhaald met tussenpozen van ten hoogste vijf minuten
Antwoord en uitleg

Goed is B: Eén lange stoot, herhaald met tussenpozen van ten hoogste één minuut

Het mistsein van een niet op radar varend schip is één lange stoot (ongeveer 4 seconden), herhaald met tussenpozen van ten hoogste één minuut (BPR artikel 6.33, lid 1). Een klein schip is niet verplicht dit sein te geven, maar mag het wel (lid 2). Een reeks zeer korte stoten is het sein bij gevaar voor aanvaring.

Bron: Binnenvaartpolitiereglement, artikel 6.33, lid 1 en 2

Vraag 6 van 12kvb1-J-0031

U ziet een bliksemflits en telt 9 seconden tot u de donder hoort. Hoe ver is het onweer ongeveer?

  1. AOngeveer 9 kilometer
  2. BOngeveer 3 kilometer
  3. COngeveer 27 kilometer
Antwoord en uitleg

Goed is B: Ongeveer 3 kilometer

Geluid legt ongeveer 1 kilometer af in 3 seconden (circa 340 m/s); het licht ziet u vrijwel direct. Deel het aantal seconden door drie: 9 seconden is ongeveer 3 km. Dat is dichtbij; bliksem kan ook enkele kilometers buiten de regenzone inslaan. Tel steeds opnieuw om te zien of de bui nadert.

Bron: Vaarpraktijk: weer en water, KNMI uitleg onweer (afstand schatten)

Vraag 7 van 12kvb1-J-0009

Op een warme, zonnige zomerdag staat er in de ochtend weinig wind aan de Noordzeekust. Wat kunt u in de middag verwachten?

  1. AEen landwind die de zee op waait en vlak water geeft, vooral in de loop van de middag
  2. BEen zeewind vanuit zee, die in de loop van de middag opsteekt en toeneemt
  3. CGeen verandering: zonder front blijft de wind de hele dag gelijk
Antwoord en uitleg

Goed is B: Een zeewind vanuit zee, die in de loop van de middag opsteekt en toeneemt

Het land warmt sneller op dan de zee; de warme lucht boven land stijgt en koelere lucht van zee stroomt toe. Deze zeewind steekt meestal rond het middaguur op, kan in de middag oplopen tot 4 Beaufort of meer en waait van het water naar het land. Hetzelfde gebeurt aan de kust van het IJsselmeer. Houd er rekening mee bij de terugtocht.

Bron: Vaarpraktijk: weer en water, KNMI uitleg zeewind

Vraag 8 van 12kvb1-J-0014

U staat op het noordelijk halfrond met uw rug naar de wind. Waar ligt volgens de wet van Buys Ballot het centrum van het lagedrukgebied?

  1. ALinks van u, iets naar voren
  2. BRecht voor u
  3. CRechts van u, iets naar achteren
Antwoord en uitleg

Goed is A: Links van u, iets naar voren

De wet van Buys Ballot: wie op het noordelijk halfrond met de rug naar de wind staat, heeft de lage druk links en de hoge druk rechts; door de wrijving aan het aardoppervlak ligt het lagedrukcentrum iets naar voren. Zo leest u uit de windrichting af waar de depressie zit en hoe de wind gaat draaien als zij passeert.

Bron: Vaarpraktijk: weer en water, Wet van Buys Ballot (KNMI)

Vraag 9 van 12kvb1-J-0041

Na een lange droge zomer staat de Waal uitzonderlijk laag. Waar houdt u als schipper van een motorjacht met 1,20 meter diepgang rekening mee?

  1. AEen sterkere stroom dan normaal, omdat hetzelfde water door een smallere bedding moet
  2. BEen kleinere doorvaarthoogte onder vaste bruggen, omdat de brug dan lager boven het water ligt
  3. CMinder diepte buiten de vaargeul en bij de kribben, en beroepsvaart die de geul vasthoudt
Antwoord en uitleg

Goed is C: Minder diepte buiten de vaargeul en bij de kribben, en beroepsvaart die de geul vasthoudt

Bij lage afvoer wordt de stroom juist zwakker en neemt de doorvaarthoogte onder vaste bruggen toe. Het probleem is de diepte: buiten de geul, in binnenbochten en bij kribben wordt het snel te ondiep, terwijl de beroepsvaart met beperkte lading de diepste lijn kiest en weinig ruimte heeft om uit te wijken. Vaar aan de rand van de geul, met de dieptemeter in het oog.

Bron: Vaarpraktijk: weer en water, Rijkswaterstaat waterstanden en minst gepeilde diepten

Vraag 10 van 12kvb1-J-0030

Op een warme, drukkende zomermiddag ziet u in het westen een hoge wolk met een plat, aambeeldvormig bovenstuk opbouwen. Wat kondigt dat aan?

  1. AEen onweersbui, vaak met plotselinge windstoten en zware regen
  2. BEen periode van stabiel, windstil weer met hoge, ijle bewolking en veel zon
  3. CMist in de avond, als de wolk daalt en de lucht afkoelt
Antwoord en uitleg

Goed is A: Een onweersbui, vaak met plotselinge windstoten en zware regen

Een cumulonimbus met een aambeeld is een uitgegroeide buienwolk: onweer, windstoten, slagregen en soms hagel. Zwoel, drukkend weer met opbollende stapelwolken in de middag is het klassieke voorteken. Kies op tijd een haven of beschutting; een bui kan in een halfuur bij u zijn.

Bron: Vaarpraktijk: weer en water, KNMI uitleg onweer en buien

Vraag 11 van 12kvb1-J-0007

U nadert een steiger met een motorboot met een hoge kajuit en weinig diepgang. Er staat een flinke dwarswind. Wat merkt u bij lage snelheid?

  1. ADe boot stuurt bij lage snelheid juist beter, omdat de wind het roer helpt en de kop op koers houdt
  2. BDe wind heeft geen invloed zolang de motor draait; alleen een zeilboot verlijert
  3. CDe boot wordt opzij gezet en de kop waait weg; ik leg zo mogelijk tegen de wind in aan
Antwoord en uitleg

Goed is C: De boot wordt opzij gezet en de kop waait weg; ik leg zo mogelijk tegen de wind in aan

Veel windvang boven water en weinig grip onder water: bij lage vaart verliest het roer zijn werking en verlijert de boot. Aanleggen tegen de wind in (op stromend water: tegen de stroom in) houdt de boot beheersbaar en remt vanzelf. Houd wat meer vaart aan en zet stootwillen en lijnen klaar.

Bron: Vaarpraktijk: weer en water, Vaarpraktijk kleine schepen: windvang en verlijeren

Vraag 12 van 12kvb1-J-0037

Uw motorboot loopt 9 km/h door het water. U vaart 18 km stroomopwaarts over een rivier met een stroomsnelheid van 3 km/h. Hoe snel vordert u ten opzichte van de oever en hoe lang duurt de opvaart?

  1. A6 km/h over de grond; de opvaart duurt 3 uur
  2. B9 km/h; de stroom verandert niets aan de snelheid
  3. C12 km/h over de grond; de opvaart duurt anderhalf uur
Antwoord en uitleg

Goed is A: 6 km/h over de grond; de opvaart duurt 3 uur

Stroomopwaarts trekt u de stroomsnelheid af van de vaart door het water: 9 min 3 is 6 km/h over de grond, dus 18 km duurt 3 uur. Stroomafwaarts telt u op: 12 km/h, anderhalf uur, maar met een veel langere stopweg. Bij hoogwater is de stroom op de Waal veel sterker: reken dan vooraf na of brandstof en daglicht toereikend zijn.

Bron: Vaarpraktijk: weer en water, Vaarpraktijk rivieren; Rijkswaterstaat waterstanden en stroomsnelheid

Oefen dit onderwerp in de app: de vragen komen terug tot u ze goed heeft.

Oefen weer, water en milieu Doe een proefexamen

Andere onderwerpen

Meer over het examen: Klein Vaarbewijs 1 (KVB1): het examen, de stof en oefenvragen.

Bijgewerkt op 26 oktober 2026. Slagen is niet verbonden aan het CBR. Ziet u een fout? Mail support@slagen.eu met het nummer van de vraag.