Klein Vaarbewijs 1 · oefenvragen

Vaarregels: voorrang en gedrag: oefenvragen voor het Klein Vaarbewijs 1

12 oefenvragen over vaarregels: voorrang en gedrag, met het antwoord, de uitleg en de bron. In de app oefent u alle 79 vragen van dit onderwerp en maakt u proefexamens.

Vraag 1 van 12kvb1-C-0043

Een motorvrachtschip van 80 meter wordt op een kanaal opgelopen door een speedboot van 6 meter. Moet het vrachtschip het voorbijlopen vergemakkelijken?

  1. ANee, die plicht geldt niet voor een groot schip dat door een klein schip wordt opgelopen.
  2. BJa, maar alleen als de speedboot eerst twee lange en twee korte stoten heeft gegeven.
  3. CJa, elk opgelopen schip moet vaart minderen, ook een groot schip dat door een klein schip wordt opgelopen.
Antwoord en uitleg

Goed is A: Nee, die plicht geldt niet voor een groot schip dat door een klein schip wordt opgelopen.

De plicht om het voorbijlopen te vergemakkelijken geldt niet voor een schip dat geen klein schip is en dat door een klein schip wordt opgelopen (BPR artikel 6.09, tweede lid, laatste volzin). De speedboot moet zelf zorgen dat het veilig kan.

Bron: Binnenvaartpolitiereglement, artikel 6.09, tweede lid

Vraag 2 van 12kvb1-C-0069

U wilt met uw motorboot van 7 meter een haven uitvaren en ziet langs de haven vóór de uitmonding het teken B.9. Op het hoofdvaarwater nadert een motorboot van 8 meter. Wat geldt?

  1. AIk mag uitvaren; de motorboot op het hoofdvaarwater moet zo nodig voor mij wijken.
  2. BIk mag alleen uitvaren nadat ik drie lange stoten en een korte stoot heb gegeven.
  3. CIk mag niet uitvaren als die motorboot daardoor koers of snelheid zou moeten wijzigen.
Antwoord en uitleg

Goed is C: Ik mag niet uitvaren als die motorboot daardoor koers of snelheid zou moeten wijzigen.

Staat langs een haven of nevenvaarwater vóór de uitmonding het teken B.9, dan mag een schip die haven niet uitvaren of het hoofdvaarwater niet oversteken als daardoor een schip op het hoofdvaarwater zijn koers of snelheid zou moeten wijzigen (BPR artikel 6.16, zesde lid). Dit geldt in afwijking van de andere leden, dus ook tussen kleine schepen.

Bron: Binnenvaartpolitiereglement, artikel 6.16, zesde lid

Vraag 3 van 12kvb1-C-0038

Twee zeilboten van 6 meter naderen elkaar op tegengestelde koersen in een engte op een meer zonder stroom. De ene zeilt vóór de wind, de andere moet kruisen. Wie vervolgt zijn weg?

Engte op een meer. Zeilboot A zeilt vóór de wind; zeilboot B moet kruisen. Ze naderen elkaar.
  1. ADe kruisende boot vervolgt haar weg, want een boot die moet kruisen is minder wendbaar.
  2. BDe boot die over stuurboordsboeg ligt vervolgt haar weg; de andere boot laat de weg vrij.
  3. CDe boot die vóór de wind zeilt vervolgt haar weg; de kruisende boot laat de weg vrij.
Antwoord en uitleg

Goed is C: De boot die vóór de wind zeilt vervolgt haar weg; de kruisende boot laat de weg vrij.

Naderen twee zeilschepen elkaar in een engte zonder stroom, dan vervolgt het schip dat vóór de wind zeilt zijn weg. Hebben beide het bezeild, dan vervolgt het schip dat over bakboordsboeg ligt zijn weg en laat het andere de weg vrij (BPR artikel 6.07, derde lid, onder c).

Bron: Binnenvaartpolitiereglement, artikel 6.07, derde lid

Vraag 4 van 12kvb1-C-0012

Twee motorschepen willen elkaar in een smal vaarwater passeren. Wanneer mogen zij elkaar volgens het BPR voorbijvaren of voorbijlopen?

  1. AAlleen als het vaarwater voldoende ruimte biedt voor gelijktijdige doorvaart, gelet op de plaatselijke omstandigheden.
  2. BAlleen als een van beide schepen stilligt of aan de kant wacht, zodat het andere schip zonder gevaar kan passeren.
  3. CAltijd, zolang beide schepen vaart minderen en elk de stuurboordzijde van het vaarwater blijft aanhouden, hoe smal het ook is.
Antwoord en uitleg

Goed is A: Alleen als het vaarwater voldoende ruimte biedt voor gelijktijdige doorvaart, gelet op de plaatselijke omstandigheden.

Schepen mogen elkaar alleen voorbijvaren op tegengestelde koersen of voorbijlopen als het vaarwater genoeg ruimte biedt voor gelijktijdige doorvaart, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden en andere schepen (BPR artikel 6.03, eerste lid).

Bron: Binnenvaartpolitiereglement, artikel 6.03, eerste lid

Vraag 5 van 12kvb1-C-0079

U vaart met een motorjacht van 12 meter door een smal kanaal met veel gemeerde schepen. Hoe moet u uw snelheid regelen?

  1. AZo dat ik de 20 km/h voor snelle motorboten niet overschrijd; voor andere schepen zijn er geen eisen.
  2. BZo dat ik altijd iets sneller vaar dan de stroom, zodat het schip goed stuurbaar blijft.
  3. CZo dat ik geen hinderlijke waterbeweging veroorzaak die schade aan schepen of werken kan doen.
Antwoord en uitleg

Goed is C: Zo dat ik geen hinderlijke waterbeweging veroorzaak die schade aan schepen of werken kan doen.

Een schip moet zijn snelheid zo regelen dat hinderlijke waterbeweging die schade kan veroorzaken aan een varend of stilliggend schip, een drijvend voorwerp of een werk wordt vermeden (BPR artikel 6.20, eerste lid). Golfslag en zuiging zijn de schipper aan te rekenen.

Bron: Binnenvaartpolitiereglement, artikel 6.20, eerste lid

Vraag 6 van 12kvb1-C-0096

In dichte mist kunt u met uw motorjacht van 11 meter de vaart niet meer veilig voortzetten. Wat doet u?

  1. AIk ga voor anker midden in het vaarwater, zet de motor uit en wacht tot het zicht verbetert.
  2. BIk vaar langzaam door in het midden van het vaarwater, waar het water het diepst is en de meeste ruimte ligt.
  3. CIk ga op de dichtstbijzijnde geschikte plaats stilliggen en maak het vaarwater zoveel mogelijk vrij.
Antwoord en uitleg

Goed is C: Ik ga op de dichtstbijzijnde geschikte plaats stilliggen en maak het vaarwater zoveel mogelijk vrij.

Kan de vaart bij slecht zicht niet zonder gevaar worden voortgezet, dan moet een schip op de dichtstbijzijnde geschikte plaats gaan stilliggen en daarbij het vaarwater zoveel mogelijk vrijmaken (BPR artikel 6.30, tweede en vierde lid). Wie wel doorvaart, houdt zoveel mogelijk de stuurboordzijde van het vaarwater (vijfde lid).

Bron: Binnenvaartpolitiereglement, artikel 6.30, tweede lid

Vraag 7 van 12kvb1-C-0013

U vaart met een motorboot van 6 meter. Een zeilboot van 5 meter nadert van bakboord zodat uw koersen kruisen en er gevaar voor aanvaring bestaat. Wie wijkt?

Uw motorboot U vaart naar boven; zeilboot A nadert van bakboord op kruisende koers.
  1. ADe zeilboot wijkt, want zij is kleiner en dus gemakkelijker te manoeuvreren.
  2. BIk wijk; een klein motorschip wijkt voor een klein zeilschip.
  3. CDe zeilboot wijkt, want zij heeft mij aan stuurboord.
Antwoord en uitleg

Goed is B: Ik wijk; een klein motorschip wijkt voor een klein zeilschip.

Bij kruisende koersen tussen kleine schepen wijkt het motorschip voor het zeilschip, ongeacht van welke kant het nadert (BPR artikel 6.03a, tweede lid). De stuurboordregel geldt hier niet.

Bron: Binnenvaartpolitiereglement, artikel 6.03a, tweede lid

Vraag 8 van 12kvb1-C-0010

Een motorboot van 6 meter moet voor uw zeiljacht van 8 meter uitwijken, maar reageert niet. De boot komt zo dichtbij dat uitwijken door de motorboot alleen een aanvaring niet meer kan voorkomen. Wat doet u?

  1. AIk houd koers en snelheid aan, want ik heb voorrang en de motorboot moet uitwijken.
  2. BIk geef vijf korte stoten en wacht met ingrijpen tot de motorboot reageert.
  3. CIk neem zelf de maatregelen die een aanvaring het best kunnen voorkomen.
Antwoord en uitleg

Goed is C: Ik neem zelf de maatregelen die een aanvaring het best kunnen voorkomen.

Het schip dat koers en snelheid moet behouden, moet toch ingrijpen zodra het zo dicht bij het uitwijkplichtige schip komt dat een handeling van dat schip alleen een aanvaring niet meer kan vermijden (BPR artikel 6.03, vierde lid, tweede volzin). Een geluidssein alleen voorkomt geen aanvaring.

Bron: Binnenvaartpolitiereglement, artikel 6.03, vierde lid

Vraag 9 van 12kvb1-C-0054

U wilt met uw motorboot van 7 meter keren op een rivier. Een motorvrachtschip van 90 meter nadert. Welke regel geldt?

Rivier. Uw motorboot U wil keren; motorvrachtschip A nadert.
  1. AIk mag niet verlangen dat het vrachtschip koers of snelheid wijzigt; ik keer pas als het voorbij is.
  2. BHet vrachtschip moet vaart minderen of uitwijken zodra het mijn keersein hoort.
  3. CIk geef één lange en één korte stoot en keer meteen; het vrachtschip moet mij daarvoor de ruimte geven.
Antwoord en uitleg

Goed is A: Ik mag niet verlangen dat het vrachtschip koers of snelheid wijzigt; ik keer pas als het voorbij is.

Bij keren geldt het keersein niet tussen een klein schip en een ander schip, en een groot schip hoeft zijn koers of snelheid niet te wijzigen voor een klein schip dat wil keren (BPR artikel 6.13, vierde lid). Het kleine schip laat het grote de ruimte die het nodig heeft (artikel 6.02, tweede lid).

Bron: Binnenvaartpolitiereglement, artikel 6.13, vierde lid

Vraag 10 van 12kvb1-C-0085

Een schip dat in het vaarwater werkzaamheden verricht toont overdag een bord dat bovenaan rood en onderaan wit is. Wat moet u doen als u het passeert?

  1. ANiets; het bord is alleen een waarschuwing voor duikers en vissers.
  2. BAlleen aan de rode zijde passeren, want daar is het water het diepst.
  3. CTijdig vaart minderen en zo ver mogelijk van dat schip verwijderd blijven.
Antwoord en uitleg

Goed is C: Tijdig vaart minderen en zo ver mogelijk van dat schip verwijderd blijven.

Een schip dat de tekens van artikel 3.29 voert (overdag een rood-wit bord of rood-witte vlaggen, 's nachts een rood boven een wit rondom schijnend licht) wil beschermd worden tegen hinderlijke waterbeweging. Wie het passeert, moet tijdig vaart minderen en er zo ver mogelijk van verwijderd blijven (BPR artikel 6.20, derde lid).

Bron: Binnenvaartpolitiereglement, artikel 6.20, derde lid

Vraag 11 van 12kvb1-C-0050

Twee duwstellen varen in een vak dat met teken A.3 is aangeduid. Mogen zij elkaar voorbijlopen?

  1. AJa, want het teken A.3 verbiedt het voorbijlopen alleen voor slepen en niet voor duwstellen.
  2. BNee, tenzij een van beide duwstellen niet langer is dan 110 meter en niet breder dan 12 meter.
  3. CNee, tenzij een van beide duwstellen niet langer is dan 180 meter en niet breder dan 22,5 meter.
Antwoord en uitleg

Goed is B: Nee, tenzij een van beide duwstellen niet langer is dan 110 meter en niet breder dan 12 meter.

Teken A.3 verbiedt het voorbijlopen van samenstellen onderling. Het verbod geldt niet als een van de samenstellen een duwstel is waarvan de lengte en de breedte niet meer bedragen dan 110 meter respectievelijk 12 meter (BPR artikel 6.11, onder b).

Bron: Binnenvaartpolitiereglement, artikel 6.11

Vraag 12 van 12kvb1-C-0039

Langs een smal vak van een kanaal staat een bord dat ontmoeten en voorbijlopen verbiedt (teken A.4). Welke regels gelden in dat vak?

  1. AAlleen de regels voor voorbijlopen van artikel 6.10.
  2. BGeen bijzondere regels; het bord is slechts een aanbeveling.
  3. CDe regels voor het doorvaren van een engte van artikel 6.07.
Antwoord en uitleg

Goed is C: De regels voor het doorvaren van een engte van artikel 6.07.

Een vak dat met het teken A.4 (ontmoeten en voorbijlopen verboden) is aangeduid, wordt behandeld als een engte: artikel 6.07 is van toepassing (BPR artikel 6.08, eerste lid).

Bron: Binnenvaartpolitiereglement, artikel 6.08, eerste lid

Oefen dit onderwerp in de app: de vragen komen terug tot u ze goed heeft.

Oefen vaarregels: voorrang en gedrag Doe een proefexamen

Andere onderwerpen

Meer over het examen: Klein Vaarbewijs 1 (KVB1): het examen, de stof en oefenvragen.

Bijgewerkt op 26 oktober 2026. Slagen is niet verbonden aan het CBR. Ziet u een fout? Mail support@slagen.eu met het nummer van de vraag.